Artikel:

De Spelregels van de Belastingdienst Deel 1

09 april 2018

Bij het behandelen van uw belastingzaken dient de Belastingdienst altijd rekening te houden met een aantal algemene richtlijnen. Deze richtlijnen worden ook wel de “algemene beginselen van behoorlijk bestuur’ genoemd en bestaan uit een aantal fundamentele regels. U kunt ze beschouwen als de spelregels waaraan de Belastingdienst zich moet houden. Een belastingaanslag die in overeenstemming is met de wet, kan niettemin onrechtmatig zijn door schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

In de komende artikelen zullen wij ons richten op de belangrijkste algemene beginselen ten aanzien van de belastingheffing, namelijk het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. In dit eerste artikel gaan we in op het vertrouwensbeginsel.

Vertrouwensbeginsel
In het belastingrecht verplicht het vertrouwensbeginsel de inspecteur om te handelen overeenkomstig het vertrouwen dat door zijn gedragingen bij u is gewekt. Het gaat dan steeds om een toepassing van recht welke gunstiger is dan de wettelijke regeling. Als u op grond van bijvoorbeeld een toezegging van de inspecteur of andere uitlatingen van de Inspecteur redelijkerwijs op een bepaalde fiscale behandeling heeft kunnen vertrouwen, moet de inspecteur dit honoreren. Hier zijn wel een aantal voorwaarden aan verbonden. De vraag of u met succes een beroep kunt doen op het vertrouwensbeginsel hangt af van de feiten en omstandigheden.

Voor de toepassing van het vertrouwensbeginsel moet onderscheid worden gemaakt tussen uitlatingen van de inspecteur die een bewuste standpuntbepaling inhouden (toezeggingen, rulings, compromissen en resoluties), uitlatingen die niet meer dan voorlichtingen zijn (toelichting aangiftebiljet, algemene inlichtingen etc.) en impliciete standpuntbepalingen. Het onderscheid is van belang vanwege het gevolg dat zij kunnen hebben. Om meer duidelijkheid te kunnen scheppen zullen wij de verschillen aan de hand van een aantal voorbeelden toelichten.

Toezeggingen
Een toezegging is een door de Belastingdienst ingenomen en kenbaar gemaakt standpunt. Dit kan zowel een mondelinge of een schriftelijke mededeling zijn van de bevoegde inspecteur of ontvanger.

Voorbeeld
Stel u vraagt in een brief om een standpunt over een bepaalde aftrekpost en u zet uw mening uitgebreid op papier. U ontvangt een reactie van de inspecteur waarin hij of zij duidelijk aangeeft het met uw standpunt eens te zijn. Bij de aanslag blijkt dat de uitgaven maar voor een klein deel in aanmerking zijn genomen.

In dat geval zet het door u opgewekte vertrouwen de juiste wetstoepassing opzij, mits de door u verstrekte gegevens juist en volledig zijn en de gemaakte toezegging niet zozeer in strijd is met de wet dat nakoming daarvan niet kan worden verwacht.

Inlichtingen
Bij inlichtingen gaat het om algemene informatie van de Belastingdienst omtrent de inhoud van de wettelijke en andere in acht te nemen regels.

Hieronder valt ook spontaan verstrekte informatie van algemene aard zoals brochures en bijsluiters afkomstig van de Belastingdienst. In tegenstelling tot een toezegging wordt hier niet expliciet op uw persoonlijke situatie ingegaan.

Voorbeeld
Stel u heeft een vraag omtrent de toepassing van de penshonadoregeling en neemt contact op met de Belastingdienst. U wordt meegedeeld dat voor de toepassing van de regeling u tenminste vier jaar (in plaats van vijf) voorafgaand aan de aanvraag van de regeling buiten Curaçao moet hebben gewoond.

Bij een inlichting prevaleert de juiste wetstoepassing over het opgewekte vertrouwen, behoudens in het geval dat de inlichting niet zo duidelijk in strijd is met de wet dat u de onjuistheid hiervan had kunnen beseffen en u afgaande op deze onjuiste inlichting een handeling heeft verricht of nagelaten waardoor u schade heeft geleid.

Impliciete standpuntbepaling
U kunt ook vertrouwen ontlenen aan impliciete standpuntbepaling van de inspecteur. Hiervoor is het niet van belang dat de inspecteur daadwerkelijk een standpunt heeft ingenomen, maar dat op basis van de gedragingen u redelijkerwijs kunt concluderen dat de Belastingdienst een bewuste standpunt heeft ingenomen.

Voorbeeld
Tijdens een boekenonderzoek wordt specifiek ingegaan op de onkostenvergoeding. Een aantal jaren later blijkt de onkostenvergoeding bovenmatig te zijn geweest en wilt de controleambtenaar bij een tweede controle deze met terugwerkende kracht corrigeren.

Bij impliciete standpuntbepalingen geldt als uitgangspunt dat het opgewekte vertrouwen prevaleert over de juiste wetstoepassing als u ervan uit kan gaan dat de desbetreffende aangelegenheid eerder is beoordeeld, niet aan de aandacht van de fiscus mocht zijn ontsnapt en de financiële belangen zodanig zijn, dat de aangelegenheid niet ongemoeid had mogen blijven. Derhalve kan de inspecteur geen naheffings- of navorderingsaanslag opleggen, indien u een gerechtvaardigd vertrouwen aan het onderzoek had kunnen ontlenen. 

Mocht u na het lezen van dit artikel nog vragen hebben omtrent het vertrouwensbeginsel, dan kunt u gerust contact met ons team opnemen.